Reactie Eerste Kamer op wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap

Begin februari is het Voorlopig verslag van de vaste kamer commissie voor veiligheid en justitie van de Eerste Kamer opgemaakt.  Het verslag is niet onverdeeld positief over het wetsvoorstel.  Er valt veel te zeggen over de punten die door de verschillende partijen worden aangehaald, maar ik wil in ieder geval over een drietal punten wat zeggen.

Ten eerste wordt door meerdere partijen gesteld dat het moederschap van de mee-moeder in het bestaande afstammingsrecht wordt ‘geperst’ en dat daarmee afstand wordt gedaan van het beginsel dat het Nederlandse afstammingsrecht is gebaseerd op biologische verwantschap. Echter, in het afstammingsrecht bestaat sinds enige tijd al de figuur van de mannelijke instemmende levensgezel die niet de biologische vader is van het kind maar op grond van het feit dat hij met de verwekking van het kind heeft ingestemd wel de juridische vader is of kan worden. Deze figuur wordt van rechtswege vader wanneer hij getrouwd is met de moeder, hij kan erkennen met toestemming van de moeder en zijn vaderschap kan gerechtelijk worden vastgesteld op verzoek van moeder of kind. In het wetsvoorstel wordt de figuur van de mannelijke instemmende levensgezel, sekseneutraal gemaakt. Door het late amendement in de Tweede Kamer krijgt deze instemmende levensgezel (man of vrouw) ook de mogelijkheid om vervangende toestemming tot erkenning te vragen. Het argument dat de man omdat hij een man is in theorie de vader van het kind had kunnen zijn en de vrouwelijke partner ook niet in theorie de vader van het kind zou kunnen zijn, vind ik weinig overtuigend. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke instemmende levensgezel zijn niet de biologische ouder van het kind. Het idee dat het Nederlandse afstammingsrecht op biologische verwantschap is gebaseerd is al verlaten, het is slechts de mogelijkheid om een fictie in stand te houden die is blijven voortbestaan. Kinderen die twee moeders hebben, weten in ieder geval dat er een derde bij hun ontstaan betrokken is geweest, terwijl kinderen die bij een moeder en een vader opgroeien, waarvan de vader niet de biologische vader is, dit vaak niet weten.

Het tweede punt sluit hier deels op aan en betreft de stelling van D66 dat het ouderschap van de mee-moeder alleen door een wilsbesluit tot stand moet kunnen komen en dus niet van rechtswege. Het komt mij voor dat dit wilsbesluit eerder is genomen, namelijk op het moment dat de mee-moeder toestemming gaf tot de verwekking van het kind bij haar partner. Op dat moment is een bewuste beslissing genomen die heeft geleid tot het ontstaan van het kind. Net als bij de mannelijke instemmende levensgezel, zou ook bij twee vrouwen het besluit tot de conceptie van het kind tot verantwoordelijkheid en dus tot ouderschap moeten leiden. Ik zie niet zo goed in waarom er een tweede keuze moment zou moeten worden ingebouwd.

Ten derde, valt mij op dat de belangen van de kinderen die bij twee moeders opgroeien geen grote rol spelen in de reactie, terwijl deze belangen een van de eerste overwegingen zouden moeten zijn bij besluiten die kinderen betreffen. Nu zijn deze belangen moeilijk concreet te maken. Bovendien kunnen ze op heel verschillende manieren concreet worden gemaakt. Zo acht de SGP acht het hele wetsvoorstel niet in het belang van kinderen terwijl andere partijen art 7 IVRK zowel in negatieve als in positieve zin aan voeren. Wat is belangrijk voor kinderen die opgroeien? Heel veel liefde, stabiliteit, zekerheid, erkenning van hun leefomgeving, gevrijwaard blijven van conflicten tussen de volwassenen aan wie ze gehecht zijn en weten waar je vandaan komt. Met deze zaken in het achterhoofd, valt er niet zo gek veel aan te merken op het wetsvoorstel, behalve misschien met betrekking tot het bewaren van afstammingsgegevens en het ontbreken van een maatstaf voor de rechter wanneer zowel de mee-moeder als de bekende donor het kind graag willen erkennen.

Voor wie meer wil lezen over de ervaringen van kinderen die bij twee moeders opgroeien, zie Voices of Children, een Iers rapport over de ervaring van de kinderen zelf en het artikel van Bos en Vonk over de sociaalpsychologische en juridische context van duo-moederschap.

Advertenties

Engelse uitspraak over duomoeders en een donor die omgang wil

Engelse uitspraak duomoeders en een donor die omgang wil

Re G (a minor) and Re Z (a minor) [2013] EWHC 143 (Fam)

Op 31 januari 2013 heeft de Engelse rechter voor het eerst een uitspraak gedaan over de wetgeving die in 2008 is ingevoerd om de rechtspositie van duomoeders te versterken.  Sinds de inwerkingtreding van de  Human Fertilisation and Embryology Act 2008: (hierna HFEA 2008)  worden vrouwenparen die een civil partnership (vrijwel gelijk aan het huwelijk) met elkaar zijn aangegaan, beide automatisch juridisch ouder van de kinderen die binnen hun civil partnership worden geboren. Daarbij krijgen ze ook beiden automatisch ouderlijke verantwoordelijkheid (Children Act 1989). In deze gevallen dient volgens de wet geen enkele man als vader van het kind te worden beschouwd. Het maakt daarbij niet uit of de zaaddonor een bekende is van de vrouwen of dat het om een donor via een vergunninghoudende kliniek gaat. Zijn de vrouwen geen civil partnership aangegaan, dan wordt de meemoeder alleen automatisch juridisch ouder als de vrouwen gebruik hebben gemaakt van kunstmatige inseminatie in een vergunninghoudende kliniek. Zijn de vrouwen beide juridisch ouder belast met ouderlijke verantwoordelijkheid, dan kunnen ze een overeenkomst met de bekende donor aangaan waardoor hij naast de twee moeders zelf ook ouderlijke verantwoordelijkheid krijgt.

In de zaak Re G and Z ging het om kinderen die binnen een civil partnership waren geboren en waar de bekende donor (een vriend van de vrouwen) dus niet als vader kon worden beschouwd. Er heeft een tijd omgang plaatsgevonden tussen de man en de kinderen, totdat er een conflict ontstond over de mate van betrokkenheid van de man bij de kinderen. De omgang wordt door de moeders gestaakt en de man verzoekt de rechter hem verlof te verlenen (grant leave) om een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling in te dienen. De vrouwen voeren aan dat dit tegen de strekking van de HFEA 2008 in zou gaan, omdat de donor niet als vader gezien kan worden, maar de rechter geeft de bekende donor desalniettemin verlof om een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling in dienen.

Daarbij speelt enerzijds het systeem van de Children Act 1989 een rol, waarin is geregeld dat personen die niet zelf een verzoek om omgang kunnen indienen, bij de rechter om verlof kunnen vragen om een alsnog een dergelijk verzoek in te mogen dienen. De rechter kijkt bij het beoordelen van het verzoek om verlof onder andere naar de relatie tussen de verzoeker en het kind. Bovendien speelt ook de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de rechten van biologische vaders en kinderen op omgang met elkaar een rol. De Engelse rechter verwijst daarbij in het bijzonder naar de uitspraak Anayo v. Germany waarin wordt gesteld dat de biologisch relatie tussen een man en een kind op zichzelf voldoende is om de bescherming van art. 8 EVRM in te roepen, en in ieder geval onder de noemer van privéleven bescherming behoeft.

Of er daadwerkelijk een omgangsregeling tot stand zal komen, hangt ervan af of een dergelijke regeling in het belang van de kinderen zou zijn, maar dat is aan de rechter die het daadwerkelijke verzoek om omgang gaat beoordelen.

Dit is een zeer verkorte weergave van de feiten in deze zaak. Er zijn twee vrouwenparen bij betrokken en twee zaaddonoren die met elkaar in een civil partnership samenleven.

Voor een rechtsvergelijking tussen Engeland en Nederland op dit gebied zie Children and their parents

Babyluikjes/Baby box

In het februarinummer van Ars Aequi verschijnt een Opiniestuk geschreven samen met mijn collega M. de Jong over de plannen om een babyluikje te openen in Nederland. We bekijken de voor en nadelen hiervan en zetten uiteen welke zaken in de discussie die hierover is ontstaan in ieder geval aan de orde moeten komen.

Hieronder mijn blog van 4 maart 2013 op de Leiden Law Blog over dit onderwerp

Baby box: Some observations on the initiative to create a safe place to abandon unwanted babies

(Blog posted on Leiden Law Blog on 4 March 2013)

Once or twice a year in the Netherlands a baby is found abandoned, for instance on the doorstep of a police station or hospital. In the majority of these cases the authorities are able to locate the mother shortly afterwards. Less is known about the number of babies killed shortly after birth by their mother. A notorious example is the case of S.H. whose four babies were found dead in her house in 2010. Shocking incidents such as these have led to discussion concerning the question whether these babies would have been alive today if it had been possible for the mother to leave her baby anonymously at a safe place. This discussion has been rekindled following the news that a private initiative aims to open a ‘baby box’ in Dordrecht in the spring of 2013. A baby box can be described as a safe place where a mother can anonymously leave her baby if she feels incapable of raising the child herself. This incapability may be due to problems with the mother’s mental health or to the fact that she needs to hide the pregnancy and birth, for instance because the pregnancy is the result of incest, sexual abuse or illicit sex.

The assumption behind this private initiative is that a baby box would save the lives of babies that may otherwise be in danger of abandonment or infanticide. Mothers would no longer abandon or even kill unwanted babies, but instead leave them safely in the baby box. The discussion has centred on the validity of this assumption and other possible drawbacks to this initiative. What makes this discussion complex and difficult is the intensely emotional subject matter: dead or abandoned babies. Whilst the argument that every life saved by a baby box makes its existence worthwhile is compelling, alternatives may be available to ensure that as many babies and mothers remain as safe as possible without the drawbacks involved.

What are the drawbacks of a baby box? First of all, the children left in such a box will have no information with respect to their biological parents, unless their mother is found or makes herself known. Moreover, the mother herself will not receive counselling if she remains anonymous, which may contribute to the panic and pain she is already experiencing due to the unwanted/unplanned pregnancy and birth. Furthermore, it is unclear whether the mothers this initiative aims to reach, will ultimately bring their baby to the baby box. It may inspire others, such as family members, to bring an unwanted child to the baby box, possibly against the mother’s will. Another point that has been raised is that the opening of a baby box may lead to an increase in abandoned babies.

Baby boxes have been opened in recent years in a number of countries across Europe. The UN Committee on the Rights of the Child has expressed grave concern about this trend, as the anonymous abandonment of children violates key parts of the UN Convention on the Rights of the Child. There is no scientific evidence that creating a safe place to abandon babies reduces the risk of infanticide or that the number of babies abandoned in other places will decrease.

However, the fact that babies are abandoned or killed shortly after birth, means that these troubled women and their (unborn) babies do not always receive the care and attention they require. The initiative to open a baby box in Dordrecht may be a signal that we need to look closely at the gaps in the system of care surrounding the birth of children in the Netherlands that leads to a group of severely troubled mothers and their children being left out in the cold.

For a more elaborate discussion of the arguments involved in the baby box debate (in Dutch) see the article by M. De Jong-De Kruijf and M. Vonk in the February 2013 issue of Ars Aequi.

 

Machteld Vonk, Department of Child Law, Leiden University Law School

Bloggen over kinderen en hun ouders in het recht

Er gebeurt op het moment veel in de Nederland en de landen om ons heen op het gebied van juridische ouder- kind relaties. In Nederland ligt wetgeving in de Eerste Kamer om moederschap voor de vrouwelijke partner van de geboortemoeder mogelijk te maken. Daarnaast is er al enige tijd discussie over een regeling van draagmoederschap. In de landen om ons heen gebeurt op dit gebied ook van alles. Vaak duurt het lang om hier iets over publiceren in een tijdschrift, terwijl het veel handiger is als informatie over wetgeving en uitspraken uit binnen- en buitenland snel beschikbaar is. Dat is de reden dat ik deze blog begin.