Engelse uitspraak over duomoeders en een donor die omgang wil

Engelse uitspraak duomoeders en een donor die omgang wil

Re G (a minor) and Re Z (a minor) [2013] EWHC 143 (Fam)

Op 31 januari 2013 heeft de Engelse rechter voor het eerst een uitspraak gedaan over de wetgeving die in 2008 is ingevoerd om de rechtspositie van duomoeders te versterken.  Sinds de inwerkingtreding van de  Human Fertilisation and Embryology Act 2008: (hierna HFEA 2008)  worden vrouwenparen die een civil partnership (vrijwel gelijk aan het huwelijk) met elkaar zijn aangegaan, beide automatisch juridisch ouder van de kinderen die binnen hun civil partnership worden geboren. Daarbij krijgen ze ook beiden automatisch ouderlijke verantwoordelijkheid (Children Act 1989). In deze gevallen dient volgens de wet geen enkele man als vader van het kind te worden beschouwd. Het maakt daarbij niet uit of de zaaddonor een bekende is van de vrouwen of dat het om een donor via een vergunninghoudende kliniek gaat. Zijn de vrouwen geen civil partnership aangegaan, dan wordt de meemoeder alleen automatisch juridisch ouder als de vrouwen gebruik hebben gemaakt van kunstmatige inseminatie in een vergunninghoudende kliniek. Zijn de vrouwen beide juridisch ouder belast met ouderlijke verantwoordelijkheid, dan kunnen ze een overeenkomst met de bekende donor aangaan waardoor hij naast de twee moeders zelf ook ouderlijke verantwoordelijkheid krijgt.

In de zaak Re G and Z ging het om kinderen die binnen een civil partnership waren geboren en waar de bekende donor (een vriend van de vrouwen) dus niet als vader kon worden beschouwd. Er heeft een tijd omgang plaatsgevonden tussen de man en de kinderen, totdat er een conflict ontstond over de mate van betrokkenheid van de man bij de kinderen. De omgang wordt door de moeders gestaakt en de man verzoekt de rechter hem verlof te verlenen (grant leave) om een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling in te dienen. De vrouwen voeren aan dat dit tegen de strekking van de HFEA 2008 in zou gaan, omdat de donor niet als vader gezien kan worden, maar de rechter geeft de bekende donor desalniettemin verlof om een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling in dienen.

Daarbij speelt enerzijds het systeem van de Children Act 1989 een rol, waarin is geregeld dat personen die niet zelf een verzoek om omgang kunnen indienen, bij de rechter om verlof kunnen vragen om een alsnog een dergelijk verzoek in te mogen dienen. De rechter kijkt bij het beoordelen van het verzoek om verlof onder andere naar de relatie tussen de verzoeker en het kind. Bovendien speelt ook de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de rechten van biologische vaders en kinderen op omgang met elkaar een rol. De Engelse rechter verwijst daarbij in het bijzonder naar de uitspraak Anayo v. Germany waarin wordt gesteld dat de biologisch relatie tussen een man en een kind op zichzelf voldoende is om de bescherming van art. 8 EVRM in te roepen, en in ieder geval onder de noemer van privéleven bescherming behoeft.

Of er daadwerkelijk een omgangsregeling tot stand zal komen, hangt ervan af of een dergelijke regeling in het belang van de kinderen zou zijn, maar dat is aan de rechter die het daadwerkelijke verzoek om omgang gaat beoordelen.

Dit is een zeer verkorte weergave van de feiten in deze zaak. Er zijn twee vrouwenparen bij betrokken en twee zaaddonoren die met elkaar in een civil partnership samenleven.

Voor een rechtsvergelijking tussen Engeland en Nederland op dit gebied zie Children and their parents

Advertenties