Moeder met eenhoofdig gezag mag niet naar buitenland verhuizen

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Maastricht heeft in een recent gepubliceerd kortgedingvonnis (LJN BZ0350) een moeder met eenhoofdig gezag verboden om met haar kind naar Ierland te verhuizen op straffe van een dwangsom. Dit op basis van het feit dat de moeder op grond van artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting heeft om de ontwikkeling van de band tussen kind en vader te bevorderen. Door de verhuizing zou de bestaande omgangsregeling tussen vader en kind (een weekend per 2 weken) in de knel komen, hetgeen niet in het belang zou zijn van het kind.

Het kind is in 2008 tijdens een affectieve relatie tussen moeder en vader geboren. De vader heeft het kind erkend. In februari 2012 is de moeder een bodemprocedure gestart voor het vaststellen van een omgangsregeling en een regeling voor kinderalimentatie. Vader heeft een zelfstandig verzoek ingediend voor nihil stelling kinderalimentatie en toewijzing van gezamenlijk gezag. Deze bodemprocedure was nog aanhangig toen de voorzieningenrechter zich over de voorgenomen verhuizing van moeder uitsprak. In april 2012 had dezelfde voorzieningenrechter moeder op verzoek van vader een dwangsom tot nakoming van de omgangsregeling opgelegd.

De verhouding tussen moeder en vader en zijn nieuwe echtgenote is gespannen. Moeder zit in de bijstand en kan via haar vader een baan krijgen in Ierland. Zij wil vanwege werk, maar ook vanwege de gespannen relatie met de vader van haar kind graag weg uit de omgeving waar zij nu woont. In beginsel heeft zij geen toestemming nodig van de vader om te verhuizen omdat zij het eenhoofdig gezag heeft. De voorzieningenrechter beaamt dit, en stelt dat de moeder in beginsel vrij is om te verhuizen met het kind, maar dat deze vrijheid wordt beperkt door het belang van het kind. In uitzonderlijke gevallen kunnen de belangen van anderen het belang van het belang van het kind (om regelmatig omgang te hebben met vader) overstijgen, maar daar is volgens de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake van. Moeder heeft de noodzaak van de verhuizing niet aannemelijk gemaakt en bovendien niet helder aangegeven hoe het verminderde contact tussen vader en kind als gevolg van de verhuizing gecompenseerd kan worden.

Op zich kan ik me voorstellen dat de rechter de verhuizing ongewenst acht zolang er niet is geoordeeld over het verzoek om gezamenlijk gezag n de bodemprocedure. Dat zou het gezag van de vader al op voorhand uithollen. Maar dat argument komt in de uitspraak niet helder naar voren.

Betekent dit nu dat een bestaande omgangsregeling op grond van artikel 1:247 lid 3 bij eenhoofdig gezag aan verhuizing met de kinderen in de weg staat? De ouder met gezag hoeft weliswaar geen toestemming te vragen aan de andere ouder, maar uiteindelijke speelt het belang van het kind in dit soort zaken een grote rol.. Daarbij is het uitgangspunt dat contact met beide ouders in het belang is van het kind. Maar is dat het enige belang van het kind dat moet worden meegewogen? De Guidelines on Child Friendly Justice bijvoorbeeld kleuren dit belang veel breder in: alle belangen van het kind moeten worden meegewogen, waaronder de psychologische, juridische, sociale,  economische en welzijnsbelangen van kinderen. Die andere belangen zie ik in verhuisjurisprudentie voor mijn gevoel te weinig terug. Het kan in deze zaak best zijn dat het kind een groot belang heeft om wel te verhuizen met moeder, omdat moeder daardoor uit de bijstand zou geraken en in emotioneel rustiger vaarwater terecht zou komen. Voor het kind zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er een einde komt aan de relatieve armoede van het opgroeien in de bijstand en dat de moeder een stabielere hechtingsfiguur wordt. Contact met vader speelt in de afweging zeker een hele belangrijke rol, maar is niet de enige factor die meetelt.

Advertenties