Erkenning door bekende donor in lesbisch huwelijk

Een korte blog naar aanleiding van vragen uit de Eerste Kamer over het Wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap

Kan de bekende donor het kind van de met een vrouw gehuwde geboortemoeder erkennen?

Ja, want in gevolge het wetsvoorstel komt het juridisch ouderschap van de duo-moeder niet van rechtswege tot stand als er een bekende donor is gebruikt. Het kind heeft in dat geval bij de geboorte maar een ouder (de geboortemoeder). De bekende donor kan met toestemming van de geboortemoeder erkennen (of vervangende toestemming aan de rechter vragen). Het feit dat de geboortemoeder op het moment van de erkenning door de bekende donor getrouwd is, leidt niet tot nietigheid van de erkenning. De nietigheid die in artikel 1:204 lid 1 onder a wordt bedoeld in geval een erkenning is gedaan door een persoon met wie de moeder niet mag trouwen, betreft niet het verbod op polygamie (trouwen met A als je al met B getrouwd bent), maar het verbod op een huwelijk tussen naaste verwanten (broers en zussen/ouders en kinderen etc,) dat is neergelegd in artikel 1:41 BW.

Advertenties

Tekst Presentatie Lesbisch Ouderschap voor Eerste Kamer

Hieronder de tekst van mijn presentatie over het wetsvoorstel met betrekking tot Lesbisch Ouderschap in de Eerste Kamer van 18 juni jl.

Ik denk dat dit een belangrijk wetsvoorstel is voor de kinderen van duo-moeders. Het zorgt voor erkenning van het gezin waarin deze kinderen opgroeien en het bevordert de gelijke behandeling van kinderen die bij twee moeders opgroeien. Enerzijds geeft het wetsvoorstel aan het gezin waarin deze kinderen opgroeien een solide juridische basis, en anderzijds geeft het wetsvoorstel aan duo-moeders en hun bekende donor de mogelijkheid om het ouderschap in te richten op een manier die bij hun gezin past.

Het wetsvoorstel in vogelvlucht

Het wetsvoorstel doet dit door de duo-moeder op veel vlakken gelijk te stellen met de mannelijke instemmende levensgezel die al bekend is in het Nederlandse afstammingsrecht, zonder daarmee oog te verliezen voor de wensen van de moeders en de bekende donor om het ouderschap eventueel anders in te richten. De duo-moeder kan van rechtswege juridisch moeder worden als ze getrouwd is met de geboortemoeder en de vrouwen een voor hun onbekende donor hebben gebruikt wiens gegevens zijn opgeslagen in het donorregister. Hebben de vrouwen een hun bekende donor gebruikt of een anonieme donor wiens gegevens niet zijn opgeslagen in het donorregister bijvoorbeeld doordat de inseminatie in een land heeft plaatsgevonden waar donoren anoniem zijn, dan volgt voor de duo-moeder geen ouderschap van rechtswege. De duo-moeder kan het kind dan wel met toestemming van de geboortemoeder of de rechter erkennen. De biologische vader die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind krijgt ook de mogelijkheid vervangende toestemming tot erkenning te vragen, evenals de mannelijke instemmende levensgezel. Deze laatste twee toevoegingen zijn niet alleen voor lesbisch stellen van belang maar ook voor ongehuwde heterostellen die gebruik hebben gemaakt van kunstmatige voorplanting met eigen zaad of met donorzaad. Daarnaast biedt het sekseneutraal maken van de erkenning ook mogelijkheden voor homo-vaders. Wanneer een van de vaders via interlandelijke adoptie een kind adopteert en daarmee de enige juridische ouder is van het kind, kan hij aan zijn mannelijke partner toestemming geven tot erkenning en hoeft er niet alsnog een partneradoptieprocedure te worden doorlopen. Het is een kleine stap vooruit in de erkenning van homo-ouderschap, maar het wetsvoorstel is ook voor homovaders niet zonder betekenis.

Vrouwelijke of mannelijke instemmende levensgezel

Ook nu kan de duo-moeder via adoptie vrij snel na de geboorte juridische moeder worden van het kind van haar vrouwelijke partner, maar een regeling via het afstammingsrecht biedt voor het kind voordelen. Het brengt de juridische positie van het kind dat wordt geboren binnen een relatie van twee vrouwen in lijn met de juridische positie van een kind dat wordt geboren binnen een heteroseksuele relatie waarbij het kind ook is verwekt met donorzaad.  In beide gevallen is er een zaaddonor aan het ontstaan van het kind te pas gekomen en heeft de partner van de geboortemoeder ingestemd met de verwekking van het kind met donorzaad. In het ene geval is deze instemmende levensgezel een man en in het andere geval is deze instemmende levensgezel een vrouw.  Het kind, dat geen actieve bijdrage levert aan zijn eigen ontstaan, heeft recht op gelijke behandeling. Is het feit dat de instemmende levensgezel in het ene geval een man is en in het andere geval een vrouw voldoende om onderscheid te maken tussen beide kinderen? Er wordt gezegd dat het afstammingsrecht nu gebaseerd is op het feit dat de man in kwestie de biologische vader had kunnen zijn, omdat hij een man is. Het is evident dat de duo-moeder ook niet de biologische vader had kunnen zijn, omdat ze een vrouw is. Moet dit uitmaken? Ik denk van niet.

Afstammingsgegevens

In de bovenstaande gevallen waarbij paren gebruik maken van donorzaad, rust op de ouders een grote verantwoordelijkheid om gegevens met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van het kind beschikbaar te maken voor het kind. Dit begint met het weten dat er een ander dan de juridische ouders hebben bijgedragen aan dit ontstaan. Voor kinderen die bij twee moeders opgroeien is dit een gegeven. De vraag rest dan hoe aan deze verantwoordelijkheid vorm moet worden gegeven. Voor kinderen die zijn ontstaan door inseminatie in een Nederlandse kliniek, worden afstammingsgegeven bewaard in het donorregister. Voor kinderen die zijn ontstaan uit zaad van een bekende donor, ligt de verantwoordelijkheid voor het ontsluiten van deze gegeven voor het kind bij de moeders. Het wetsvoorstel bevat geen extra regeling met betrekking tot het vastleggen van afstammingsgegevens. Wil de overheid stimuleren dat de moeders deze kennis vastleggen, dan zou ze bijvoorbeeld kunnen overwegen, om moeders de mogelijkheid te geven om deze gegevens op de geboorteakte van het kind bij te schrijven.

Aanpassing via afstamming of gezag?

Er zijn vragen gesteld over de noodzaak om het afstammingsrecht aan te passen met de vraag daarbij of het niet meer voor de hand ligt extra rechtsgevolgen aan het gezagsrecht te verbinden, zoals bijvoorbeeld erfrechtelijke gevolgen of het verkrijgen van nationaliteit. Ik wil hier benadrukken dat het niet alleen om de rechtsgevolgen van het afstammingsrecht gaat, maar ook om erkenning van de bestaande gezinssituatie voor het kind. Een familierechtelijke betrekking zoals die door een afstammingsrelatie ontstaat, plaatst een kind in een familie, het krijgt daarmee opa’s en oma’s broertjes, zusjes neefjes, nichtjes etc, het toekennen van gezag aan de duo-moeder heeft dit gevolg niet. Daarnaast is een afstammingsband (in beginsel) voor het leven, terwijl gezag duurt totdat het kind 18 jaar oud is. Dit laatste geeft al aan dat het koppelen van bijvoorbeeld erfrecht aan het gezagsrecht ingewikkeld is. Want als het gezag eindigt met 18 jaar en de duo-moeder overlijdt als het kind 45 is, hoe kan het kind dan erven? Nu kan men in Nederland misschien nog een oplossing vinden, maar stel dat de moeder op dat moment al jaren in het buitenland wonen? Dan is de kans groot dat het kind helemaal niet erft als de duo-moeder overlijdt. Bovendien is het aanpassen van het erfrecht en met name het nationaliteitsrecht vele malen ingewikkelder dan het aanpassen van het afstammingsrecht en leidt het niet tot dezelfde sterke rechtspositie voor het kind.

 

 

Wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap in Eerste Kamer

Eerste Kamer hoort deskundigen over wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap

Het wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap ligt alweer enige tijd in de Eerste Kamer. De eerste reactie van de Kamer was (onverwachts) kritisch en bevatte vele vragen. De Staatssecretaris heeft inmiddels op deze vragen gereageerd. De Eerste Kamer blijft desalniettemin met een aantal vragen zitten en er is op 18 juni aanstaande een deskundigenbijeenkomst gepland om de onderwerpen waarover vragen zijn nader uit te diepen. Er zijn vier deskundigen uitgenodigd om hun visie op het wetsvoorstel te geven en een aantal specifieke vragen te beantwoorden. Deze deskundigen zijn Prof. Dorien Pessers, Dr. Machteld Vonk (ikzelf), Mr. Wilma Eusman en Prof.  Vlaardingerbroek.

Zoals uit het eerste verslag bleek zijn er onder meer vragen omtrent het recht op afstammingsinformatie, de noodzaak van het regelen van mee-moederschap via het afstammingsrecht, de gevolgen van het onderscheid tussen bekende en onbekende donoren en de positie van de bekende donor ten opzichten van het kind, de moeder en de mee-moeder. Voor geïnteresseerden is de bijeenkomst op dinsdag 18 juni tussen 9.00 en 11.00 uur, live te volgen op de livestream van de Eerste Kamer.

Inmiddels staat een opname van de bijeenkomst op YouTube.

Verhuizen met kinderen na scheiding

In de periode van november 2010 tot mei 2013 zijn er 38 uitspraken gepubliceerd van Hoven op rechtspraak.nl over de vraag of al dan niet toestemming moet worden verleend aan een ouder om met de kinderen te mogen verhuizen binnen Nederland of naar het buitenland. Ik heb deze uitspraken op een rij gezet in een artikel (Machteld Vonk Verhuizing na echtscheiding) dat in juni 2013 verschijnt in het Tijdschrift voor relatierecht en praktijk.

Ongeveer evenveel toewijzingen als afwijzingen

Van de 38 gepubliceerde zaken zijn 3 zaken aangehouden wegens nader onderzoek door de Raad of wegens mediation en zijn er 5 zaken waarin de moeder al is verhuisd zonder toestemming en de vader vervolgens naar de rechter stapt. Blijven over 29 verzoeken tot toestemming, waarvan 15 verhuizingen binnen Nederland betreffen en 14 verhuizingen naar het buitenland. Van de Nederlandse gevallen zijn 8 verzoeken toegewezen en 7 verzoeken afgewezen en van de verzoeken om toestemming tot verhuizing naar het buitenland zijn 6 verzoeken toegewezen en 8 verzoeken afgewezen. Binnen Nederland lijkt er iets meer kans op toewijzing te zijn en naar het buitenland iets meer kans op afwijzing.

Bijna alleen moeders verzoeken toestemming tot verhuizing

Wat meteen opvalt is dat slechts een van de verzoeken om toestemming tot verhuizing van een vader afkomstig is. De rest van de verzoeken is allemaal ingediend door moeders die willen verhuizen. Gezien de cijfers van het CBS over 2011 met betrekking tot de vraag waar kinderen gaan wonen na scheiding is dit niet zo vreemd. In meer dan de helft van de gevallen hebben de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder, in een ruime kwart van de gevallen is er co-ouderschap tussen moeder en vader en slechts in 6% van de gevallen hebben de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader. In het artikel komt dit nader aan de orde, evenals de vraag welke elementen een rol spelen bij het al dan niet verkrijgen van toestemming tot verhuizing en de reikwijdte van de toegepaste maatstaf dat het belang van het kind bij een dergelijke beslissing in beginsel leidend is.

Wat is uw ervaring als advocaat?

De 38 gepubliceerde Hof uitspraken vormen natuurlijk een klein deel van de daadwerkelijk gegeven uitspraken over verhuizing met kinderen na scheiding. Ik ben als onderzoeker benieuwd naar uw ervaring als advocaat op dit gebied en wat uw algemene indruk is over het al dan niet toewijzen van verzoeken tot toestemming tot verhuizing en welke elementen hierbij in uw ervaring doorslaggevend zijn.