Draagmoederschap en meerouderschap in British Columbia, Canada

Afgelopen jaar heb ik voor onderzoek een aantal maanden doorgebracht in de provincie British Columbia, Canada om onderzoek te doen naar een nieuwe wet die daar in 2013 in werking is getreden en een regeling omvat van meerouderschap en draagmoederschap op basis van overeenstemming voor de conceptie van het kind.

Er is geen rechterlijke tussenkomst noodzakelijk. Omdat er in Nederland ook discussie is over hoe en of draagmoederschap en meerouderschap geregeld moeten worden, is het interessant een kritische blik te werpen op een dergelijke regeling in het buitenland. Kunnen we iets van de regeling in British Columbia leren? Ik heb over deze vraag een artikel gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familie en Jeugdrecht. Hier vindt u mijn definitieve versie van het betreffende artikel Nieuws uit het westen dat is verschenen in mei 2015.

Nu was ik toevallig van de week The Cider House Rules van John Irving aan het herlezen waar ook een, zij het niet geheel vrijwillige, drie ouder situatie ontstaat waar een jongen vanaf heel jonge leeftijd met zijn vader, zijn moeder en zijn moeder’s echtgenoot in een huis woont. De jongen staat bij alle volwassenen centraal en ondanks hun onderlinge spanningen, voeden ze hem samen op. Zoals zijn vader tegen hem zegt ‘You have got three parents really. The best most people get is two.’

Advertenties

De bijzondere curator en artikel 1:253c BW

De rechtbank Gelderland heeft op 18 maart 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:2583) uitspraak gedaan in een zaak waarin de informele rechtsingang van een minderjarige en de bevoegdheden van de bijzondere curator een hoofdrol spelen. De minderjarige is buiten huwelijk geboren en door de vader erkend, maar de moeder oefent alleen het gezag uit. (Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 10 maart 2015 ECLI:NL:GHARL:2015:1721 het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland verworpen).

De feiten

Op 27 februari 2013 ontvangt de rechtbank een brief waarin de minderjarige onder meer aangeeft dat hij bij zijn vader wil wonen. De rechtbank besluit de minderjarige op te roepen voor een kindgesprek en probeert hiertoe contact op te nemen met de minderjarige. De moeder geeft door de telefoon aan de minderjarige niet op de hoogte te zullen stellen van de uitnodiging voor het kindgesprek. De minderjarige verschijnt inderdaad niet op het geplande gesprek. De rechtbank besluit een bijzondere curator te benoemen die met de minderjarige en de ouders moet gaan praten en over deze gesprekken verslag zal uitbrengen. In het verslag geeft de bijzondere curator aan dat hij namens de minderjarige een verzoek tot gezamenlijk gezag en een verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats wil indienen. Kortom, de minderjarige wil bij de vader wonen en bewerkstelligen dat moeder en vader samen het gezag gaan uitoefenen. Op de geplande zitting in juni verschijnen noch de moeder, noch de vader. De Raad wordt ingelicht over de zorgen van de bijzondere curator omtrent de minderjarige en op latere zittingen in juli en oktober wordt een OTS uitgesproken en wordt de minderjarige uit huis geplaatst bij de vader tot juli 2014.

De informele rechtsingang van artikel 1:251a lid 4 BW

De verzoeken tot het toekennen van gezamenlijk gezag aan de ouders op grond van artikel 1:253c BW en de wijziging van de hoofdverblijfplaats zijn op een later moment behandeld. De rechtbank verklaart de bijzondere curator in beide verzoeken niet-ontvankelijk. De informele  rechtsingang van artikel 1:251a lid 4 BW is volgens de rechtbank niet analoog van toepassing op verzoeken op grond van artikel 1:253c BW. De bijzondere curator voert aan dat de Hoge Raad op 4 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2241) heeft aangegeven dat de rechtsingang van artikel 1:251a BW niet alleen bestaat tijdens de echtscheidingsprocedure, maar dat een minderjarige ook op een later moment van deze rechtsingang gebruik kan maken. Daarbij gaf de Hoge Raad echter ook aan dat de informele rechtsingang van 1:251a lid 4 BW na beëindiging van de echtscheidingsprocedure niet meer kan worden gebruikt, indien de rechter in die procedure naar aanleiding van een verzoek tot toekenning van eenhoofdig gezag een beslissing heeft gegeven. In een dergelijke geval is de aangewezen weg voor het opnieuw tot stand brengen van gezamenlijk gezag artikel 1:253o BW of het als nog verzoeken om eenhoofdig gezag 1:253n BW.

Verschil artikel 1:251a en artikel 1:253c BW

Groot verschil tussen de informele rechtsingang van artikel 1:251a lid 4 BW en het verzoek dat hier aan de orde is, is dat het bij de verzoeken van artikel 1:251a lid 4 BW zal gaan om verzoeken om toewijzing eenhoofdig gezag en dat het in het onderhavige geval gaat om een verzoek om toewijzing van gezamenlijk gezag. De rechtbank vraagt zich terecht af of artikel 1:251a lid 4 BW en de rechtspraak van de Hoge Raad hierover,  analoog kunnen worden toegepast op een verzoek op grond van artikel 1:253c BW. De rechtbank zegt daarover dat het niet mogelijk is om anders dan op verzoek van een ouder zelf, eenhoofdig gezag te wijzigingen in gezamenlijk gezag. ‘De aard van het ouderlijk gezag, dat de plicht en het recht van de ouder omvat om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden, brengt met zich dat een ouder het gezag niet opgedrongen kan worden naar aanleiding van een daartoe verstrekkend verzoek door een ander dan die desbetreffende ouder zelf. Het ligt in beginsel dan ook op de weg van (een van) de ouders zelf – in casu de vader – om wijziging in de gezagssituatie te verzoeken.’

Kan een ouder tegen zijn zin met gezamenlijk gezag worden belast?

Ik denk, in tegenstelling tot wat de rechtbank stelt, dat er op grond van artikel 1:253c lid 5 wel mogelijkheden zijn om een ouder tegen zijn zin met het gezamenlijk gezag te belasten. Artikel 1:253c lid 5 geeft de moeder die alleen het gezag uitoefent immers de mogelijkheid om een verzoek in te dienen haar gezamenlijk met de vader van de minderjarige met het gezag te belasten. Van deze mogelijkheid zal zij alleen gebruik maken als de vader niet bereid is met haar het gezamenlijk gezag aan te laten tekenen op grond van artikel 1:252 BW. Of de mogelijkheid die artikel 1:253c lid 5 BW aan de moeder biedt vervolgens ook via een informele rechtsingang aan een minderjarige moet toekomen, is de volgende vraag. Dit is een vraag die waarschijnlijk ook geldt ten opzichte van artikel 1:253o BW, waarbij een ouder opnieuw om gezamenlijk gezag kan verzoeken wanneer dit op een eerder moment door de rechter eenhoofdig aan een van beide ouders is toegewezen. Ook in dit artikel wordt niet uitgesloten dat het de ouder met eenhoofdig gezag is, die het verzoek eenzijdig kan indienen. Hierbij moet echter wel worden opgemerkt dat de rechter zich in geval van een verzoek op grond van 1:253o BW al eens over de gezagsvraag heeft gebogen, terwijl dat in de onderhavige casus (en in geval van een verzoek op grond van 1:253c BW) niet het geval is.

Een informele rechtsingang voor het verzoeken van gezamenlijk gezag?

Gezien het uitgangspunt dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige wordt geacht en van ouders veel inspanning wordt verwacht om dit gezag ook op een zodanige wijze uit te oefenen dat de minderjarige een band met beide ouders kan ontwikkelen en in stand houden als ouders niet langen samenleven, lijkt het mij aannemelijk dat een minderjarige via een informele rechtsingang een verzoek om zijn beide ouders met gezamenlijk ouderlijk gezag te belasten aan de rechter moet kunnen voorleggen. Hierbij denk ik aan de woorden van AG Wesseling-van Gent  in de conclusie bij de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad: ‘Ik acht daarnaast van belang, [..] dat door de hoofdregel dat na echtscheiding het gezamenlijk gezag doorloopt, thans aan de rechter in de echtscheidingsprocedure in beginsel geen beslissing meer wordt gevraagd over het gezag over de bij de echtscheiding betrokken minderjarige kinderen en dat dezen ook niet worden gehoord, waardoor een rechterlijke toetsing of het belang van het kind gediend is met het gezamenlijk gezag ontbreekt. In de toelichting op art. 1:251a BW is nadrukkelijk een koppeling gelegd tussen het doorlopen van het gezamenlijk gezag na echtscheiding en de mening van de minderjarige daarover. Die mening is dan ook na de echtscheidingsprocedure van belang (para. 2.20).’ Deze redenering zou omgekeerd ook van toepassing kunnen zijn op de situatie van kinderen van ongehuwde ouders waarbij slechts een ouder het gezag uitoefent. Er is immers ook in dat geval geen moment waarop de minderjarige zijn mening kan geven over de gezagsregeling van zijn ongehuwde ouders en de uitoefening daarvan wanneer de ouders niet meer samen zijn, noch is er een moment waarop wordt getoetst of de bestaande gezagsuitoefening in het belang van het kind is.

Conclusie

In de onderhavige zaak staat de vader niet onwillig tegenover het uitoefenen van gezamenlijk gezag. Misschien is het de onwil van de vader om wegens zijn financiële problemen zelf een verzoek om eenhoofdig of gezamenlijk gezag in te dienen dat voor de rechtbank van doorslaggevende betekenis is. De verantwoordelijkheid om het gezag goed te regelen ligt immers bij de ouders en niet bij de minderjarige. Toch kan ik me ondanks het feit dat de uitspraak goed is onderbouwd en de bal heel duidelijk door de rechtbank bij de vader en de Raad wordt gelegd, niet aan het gevoel onttrekken dat de minderjarige in de kou blijft staan en dat dit mogelijk anders zou zijn geweest als de ouders waren getrouwd op het moment dat de minderjarige werd geboren. In dat geval hadden de ouders van rechtswege gezamenlijk gezag over de kinderen gehad. Dit gezag zou ook na hun scheiding hebben voortgeduurd. Onder die omstandigheden had de minderjarige wel gebruik kunnen maken van de informele rechtsingang en via de bijzondere curator kunnen bewerkstelligen dat de hoofdverblijfplaats bij de vader zou worden bepaald en mogelijk dat het gezag alleen bij de vader kwam te liggen.  Misschien ligt daar de sleutel voor het analoog toepassen van de informele rechtsingang van 1:251a lid 4 BW: kinderen van ongehuwde ouders hebben dezelfde rechten als kinderen van gehuwde ouders, dat hebben we immers een tijd geleden met elkaar afgesproken.

Duomoederschap vanaf 1 april 2014

Sinds 1 april jl. is het voor vrouwenparen makkelijker geworden om beide juridisch moeder te worden van de kinderen die binnen hun relatie worden geboren of binnen hun relatie opgroeien. Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting van de nieuwe regeling. Voor een uitgebreidere bespreking verwijs ik u naar mijn artikel Duomoederschap anno 2014 over dit onderwerp dat binnenkort verschijnt in het Tijdschrift voor Relatierecht en Praktijk.

Duomoederschap van rechtswege

Een deel van de vrouwenparen die zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan wordt beide van rechtswege moeder van een kind dat binnen hun relatie wordt geboren. Dit geldt voor vrouwparen die bij de geboorteaangifte een verklaring kunnen overleggen van de stichting Donorgegevens waarin staat vermeld dat a) voor het tot stand komen van de zwangerschap gebruik is gemaakt van kunstmatige donorbevruchting in de zin van artikel 1, onder c, sub 1, van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en b) dat daarbij gebruik is gemaakt van zaad van een aan de geboortemoeder onbekende donor. Kan deze verklaring worden overlegd, dan ontstaat het moederschap van de duomoeder van rechtswege met terugwerkende kracht vanaf de geboorte (art. 1:198 lid 1 onder b BW). Het moge duidelijk zijn dat vrouwen die in het buitenland gebruik maken van kunstmatige inseminatie met zaad van een anonieme donor niet onder deze regeling vallen.

Duomoederschap via erkenning

Indien de duomoeder niet van rechtswege juridisch moeder kan worden omdat er een bekende donor is gebruikt, de vrouwen niet gehuwd zijn of omdat de inseminatie in het buitenland heeft plaatsgevonden, kan de duomoeder het kind met toestemming van de geboortemoeder erkennen. Dit geldt ook voor kinderen die voor 1 april 2014 zijn geboren. Indien de geboortemoeder uiteindelijk geen toestemming tot erkenning wenst te geven, kan de duomoeder aan de rechter vervangende toestemming tot erkenning vragen, indien zij destijds als levensgezel van de geboortemoeder toestemming heeft gegeven tot de daad die tot de verwekking van het kind heeft geleid  (art. 1:204 lid 4 BW). De rechter kan de toestemming van de geboortemoeder vervangen indien dit in het belang van het kind is. De tijd zal moeten leren hoe deze maatstaf wordt toegepast.

De mogelijkheid om vervangende toestemming te verzoeken bestaat sinds 1 april 2014 ook expliciet voor de bekende donor met family life, waarbij dezelfde maatstaf wordt aangelegd door de rechter als voor de verwekker: de rechter kan de toestemming vervangen tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt (art. 1:204 lid 3 BW).

Gerechtelijke vaststelling moederschap   

Het is sinds 1 april 2014 voor de geboortemoeder en het kind ook mogelijk om het moederschap van de vrouw die als levensgezel van de geboortemoeder toestemming heeft gegeven tot de daad die tot de verwekking van het kind heeft geleid, gerechtelijk te laten vaststellen (art 1:207 BW).

Aantasten duomoederschap

Het juridisch moederschap van de duomoeder kan worden aangetast door het kind (en door de beide juridische moeders onder omstandigheden) indien zij niet de biologische moeder is van het kind. Onder biologische moeder wordt in dit verband zowel de geboortemoeder als de moeder die de eicel heeft geleverd begrepen, blijkt uit de Memorie van Toelichting. Heeft de ene vrouw het kind gebaard dat is ontstaan uit de eicel van de andere vrouw, dan kan het juridisch moederschap van geen van beide vrouwen worden aangetast. Aantasting van het moederschap volgt grofweg dezelfde regeling als al bestaat voor ontkenning vaderschap (1:202a BW) en vernietiging van de erkenning (1:205a BW).

Afstammingsrecht in Eerste Kamer op 12 november 2013

Leuk om te zien dat mijn artikel Een huis voor alle kinderen (NJB) in het Nederlands JuristenBlad (2013-33) door de wetgever is gelezen. Hierbij enkele stukken uit het Volledig ongecorrigeerde stenogram van de Eerste Kamer  van 12 november jl waarin het wetsvoorstel lesbisch ouderschap ter discussie stond en het voorstel een staatscommissie in te richten die zich met het afstammingsrecht gaat bezighouden.

Mevrouw Scholten (D66): Er valt nog veel meer te zeggen, maar ik ga afronden. Omdat het twee-oudersysteem aan verdere ontwikkeling van het biologische afstammingsrecht in de weg staat, zou mijn fractie graag zien dat hierover verder wordt nagedacht. In de hoorzitting is al gevraagd naar en gesproken over de wenselijkheid van een brede staatscommissie die de regering zou moeten adviseren over de herziening van het familierecht. Mijn fractie zou een voorstander zijn van de benoeming van een dergelijke commissie. Mevrouw Vonk, een van de sprekers bij de hoorzitting van 18 juni, heeft in het Nederlands Juristenblad van vorige week een belangrijke voorzet gegeven voor dit plan, zelfs met inbegrip van de vragen die door de staatscommissie onderzocht zouden kunnen worden. Ik neem aan dat de staatssecretaris dat artikel ter voorbereiding van dit debat heeft gelezen, maar ik ben graag bereid hem een kopie te verstrekken. Omwille van de tijd zal ik de vragen uit dat artikel nu niet voorlezen. Zij zullen misschien nog aan de orde komen. Ik ben in ieder geval benieuwd naar het antwoord van de staatssecretaris op dit punt.

Staatssecretaris Teeven: Mevrouw Scholten wees mij op het onderwerp van de bijdrage van mevrouw Vonk in het Nederlands Juristenblad. Zij vroeg mij wat ik daarvan vind en of ik daar een standpunt over in kan nemen. Mevrouw Vonk schreef dat een aantal vragen aan de orde moet komen als een serieuze discussie over nieuw ouderschapsrecht wordt overwogen. Zij stelde daarvoor de volgende vragen voor. Hoeveel juridische ouders kan een kind hebben? Krijgen al die ouders ook het gezag over het kind? Hoe worden die betrokkenen juridische ouders? Gebeurt dit via een contract, via de rechter of via het nieuwe afstammingsrecht? Krijgen potentiële ouders zelf de mogelijkheid om het ouderschap inte richten op een manier die met hun situatie overeenkomt? Wat gebeurt er in het geval van een conflict en/of scheiding als een kind meer dan twee ouders kan hebben die alle gezag over het kind uitoefenen? Met betrekking tot welke ouders heeft het kind recht op afstammingskennis? Is dat alleen ten opzichte van de genetische, biologische ouders of ook ten opzichte van de wensouders? De vragen die mevrouw Vonk in haar bijdrage stelt, passen hierbij. Ik denk dat een aantal vragen die zijn opgeworpen door mevrouw Vonk de aandacht zouden moeten hebben van de staatscommissie.

Mevrouw Scholten (D66): Ik ben ook verheugd over het feit dat de staatssecretaris bereid is om de vragen die mevrouw Vonk al heeft geformuleerd, te betrekken bij het voorstel dat hij aanstaande vrijdag bij de ministerraad zal neerleggen.

Over dat laatste ben ik zelf natuurlijk ook zeer verheugd!

Ouderschap na geslachtswijzing op de geboorteakte van man naar vrouw of andersom

In de Eerste Kamer ligt sinds de zomer een aangepaste versie van het wetsvoorstel Wijziging voorwaarden transseksualiteit dat wijziging van het geslacht op de geboorteakte eenvoudiger moet maken. Ingevolge dit wetsvoorstel kan een persoon die in de overtuiging leeft tot het andere geslacht te behoren, het geslacht op zijn/haar of geboorteakte laten wijzigingen zonder geslachtswijzigende operatie te ondergaan. Op dit moment kan een dergelijke wijziging alleen plaatsvinden als de persoon in kwestie een dergelijke operatie heeft ondergaan en geen kinderen meer kan krijgen in zijn of haar oude geslacht, maar als dit wetsvoorstel wordt aangenomen is dat geen vereiste meer. Dit betekent dat een man die als vrouw is geboren alsnog een kind kan baren en een vrouw die als man is geboren alsnog kinderen kan verwekken. De vraag is dan met welk geslacht de barende man of de zaad-leverende vrouw op de geboorteakte van het kind moet komen te staan?

het recht nu

Ook onder de huidige wetgeving is rekening gehouden met het feit dat personen ondanks  hun geslachtswijziging ouder kunnen worden, bijvoorbeeld door als man gehuwd te zijn met een vrouw die moeder wordt. Neem bijvoorbeeld A: een man die als vrouw is geboren kinderen en als vrouw kinderen heeft gebaard. Na de geslachtswijziging tot man trouwt A met een vrouw. De vrouw van A raakt zwanger via donor inseminatie en baart een kind. Volgens het huidige artikel 1:28c in combinatie met titel 11 van boek 1 BW is A moeder van de kinderen die zij voor de geslachtswijziging heeft gebaard en vader van de kinderen die ze na de geslachtswijzing heeft gebaard, geheel in overeenstemming met haar/zijn feitelijk geslacht op het moment van de geboorte van het kind.

voorgestelde recht

In het oorspronkelijk wetsvoorstel zoals op 11 september 2012 in de Tweede Kamer ingediend, werd voorgesteld om op de geboorteakte van het kind dat wordt geboren na de wijziging van het geslacht op de geboorteakte van de ouder, het oude geslacht van de ouder te vermelden. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel kwam echter de stelling naar voren dat het verwarrend is voor kinderen om een ouder te hebben die voor hen in het dagelijks leven een moeder is, maar op de geboorteakte als vader staat vermeld. Naar aanleiding daarvan is het wetsvoorstel gewijzigd en is nu voor de volgende benadering gekozen:

de barende man

In beginsel wordt de betreffende persoon ouder van het kind in zijn nieuwe geslacht. Dit geldt echter niet voor de als vrouw geboren man die een kind baart na de geslachtswijziging op de geboorteakte. Dit betekent dat de barende man als moeder op de geboorteakte van het kind wordt vermeld. De reden die de staatssecretaris hiervoor geeft is dat het Nederlandse afstammingsrecht vereist dat duidelijk is wie de geboortemoeder is van een kind. Het moederschap fungeert in het huidige Nederlandse afstammingsrecht als een anker: heeft een kind bij geboorte geen juridische moeder, dan is het in principe ouderloos.

de zaad-leverende vrouw

Een voormalige man die na wijziging van het geslacht op de geboorteakte als vrouw door het leven gaat en vervolgens een kind bij haar vrouwelijke partner verwekt, wordt ook moeder, maar is (onder het huidige afstammingsrecht) niet automatisch juridisch ouder van het kind omdat de geboortemoeder al van rechtswege de juridische moeder is. Wil zowel de geboortemoeder als de vrouwelijke verwekker dat deze laatste juridisch ouder wordt, dan kan dit alleen via adoptie. Het is echter binnen het huidige afstammingsrecht nauwelijks te verdedigen dat een persoon die het zaad heeft geleverd voor de conceptie van een kind bij zijn of haar partner en dit kind ook met die partner opvoedt alleen via adoptie de juridische ouder kan worden van dit kind. Tot deze conclusie kwam ook het Hof Leeuwarden in 2010 in een zaak onder het huidige recht waar voor de geslachtswijzigende operatie zaad van de man was ingevroren. Na de geslachtswijziging tot vrouw, is het zaad gebruikt om bij de vrouwelijke partner van de transvrouw een kind te verwekken. Adoptie was de enige mogelijkheid, maar het Hof achtte dit in strijd met artikel 8 en 14 EVRM gezien de biologische band die er tussen het kind en de transvrouw bestond en stelde vervolgens het ouderschap van de transvrouw vast.

gevolgen aanpassing mbt ouderschap

Dat de recente – om verwarring bij kinderen te voorkomen – aanpassing van 1:28c lid 3 BW juridische gevolgen heeft voor de betreffende kinderen, lijkt nauwelijks een rol te spelen. Bovendien creëert deze aanpassing van de wet verwarring in het afstammingsrecht, want wat is de status van een zaad-leverende moeder? Het voorgesteld artikel 1:28c lid 3 BW bepaalt dat voor de toepassing van titel 11 (afstammingsrecht) van Boek 1 BW moet worden uitgegaan van het nieuwe geslacht van de voormalige man (vrouw dus). Maar in titel 11 zelf komt naast de vrouw die het kind baart en de man die in een bepaalde relatie tot de moeder staat en daarmee vader wordt, ook de persoon van de verwekker ten tonele. Zijn rol wordt gedefinieerd door de daad van verwekking, die alleen door een man kan worden verricht. Is de voormalige man/huidige vrouw die bij haar vrouwelijke partner een kind verwekt, wel of geen verwekker in de zin van art 1:204 lid 3, artikel 1:207 en artikel 1:394? En als er geen sprake is van verwekking, maar het zaad van de voormalige man via KI bij haar vrouwelijke partner is ingebracht, geldt zij dan als bekende donor met family life?

twee moeders door wetsvoorstel lesbisch ouderschap

Als het wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap dat momenteel in de Eerste Kamer ligt, wordt aangenomen, krijgt de transmoeder de mogelijkheid het kind dat door haar vrouwelijke partner is gebaard te erkennen. De zaad-leverende moeder zal geen aanspraak kunnen maken op ouderschap van rechtswege, ook niet als ze gehuwd is met de geboortemoeder, omdat ze niet de benodigde verklaring van de Stichting Donorgegevens kan overleggen dat gebruik is gemaakt van zaad van een voor hen onbekende donor; het zaad voor het ontstaan van het kind is immer afkomstig van de transmoeder. De plenaire behandeling van het wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap staat voor 12 november aanstaande gepland. Pas als de behandeling van het wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap in de Eerste Kamer is voltooid, kan duidelijkheid komen over de precieze consequenties van het wetsvoorstel Wijziging voorwaarden transseksualiteit voor de juridische relatie tussen transvrouwen en -mannen en hun kinderen.

Ook in deze context rijst de vraag of het afstammingsrecht in zijn huidige vorm recht kan doen aan de belangen en rechten van kinderen en ouders in gezinnen die afwijken van de standaard waar het afstammingsrecht vanuit gaat.

Twee nieuwe artikelen over biologische vaders, juridisch ouderschap, afstammingskennis en meeroudergezinnen

In het NTM-NJCM Bulletin 2013 jaargang 38, nr. 4 verschijnt in september mijn artikel: ‘Weten, kennen en erkennen: kinderen van ouders die niet samen zijn‘ (Weten, kennen en erkennen (NJCM)) In dit artikel wordt aan de hand van relevante artikelen uit het IVRK en recente jurisprudentie van het EHRM, waaronder Ahrens, Kautzor en Schneider,  besproken welke rechten een kind heeft met betrekking tot zijn biologische vader die niet zijn juridische vader is en welke invloed de sociale werkelijkheid heeft op de uitoefening van deze rechten. Vervolgens wordt het Nederlandse recht langs de meetlat van het geschetste internationale kader gelegd.

In het Nederlands Juristenblad verschijnt in de loop van september mijn artikel ‘Een huis voor alle kinderen: de juridische verankering van intentionele meeroudergezinnen in het afstammingsrecht‘ (Een huis voor alle kinderen (NJB)). Aanleiding van dit artikel is de behandeling van het wetsvoorstel lesbisch ouderschap in de Eerste Kamer en de daar gehouden deskundigenbijeenkomst in juni 2013. Het wetsvoorstel roept vragen op met betrekking tot de betekenis van juridisch ouderschap (gebaseerd op biologie of/en op sociale werkelijkheid) en over de rol die de verschillende ouders  in het recht en de praktijk kunnen spelen met betrekking tot het kind. In deze bijdrage wordt gekeken naar wat dit betekent voor het huidige wetsvoorstel en voor toekomstige ontwikkelingen op het gebied van het afstammingsrecht. In het kader van mogelijke toekomstige ontwikkelingen wordt nader ingegaan op recente wetgeving in British Columbia, Canada, waarin de weg naar meer dan twee ouders wordt geopend op basis van een overeenkomst. Het doel van deze bijdrage is de discussie over het wetsvoorstel in de literatuur en de Eerste Kamer kritisch te beschouwen en in het bredere kader van het afstammingsrecht te plaatsen. Daarnaast wordt gekeken naar de toekomst van het afstammingsrecht – mede in internationaal perspectief – en of dit al dan niet aan herziening toe is.

Erkenning door bekende donor in lesbisch huwelijk

Een korte blog naar aanleiding van vragen uit de Eerste Kamer over het Wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap

Kan de bekende donor het kind van de met een vrouw gehuwde geboortemoeder erkennen?

Ja, want in gevolge het wetsvoorstel komt het juridisch ouderschap van de duo-moeder niet van rechtswege tot stand als er een bekende donor is gebruikt. Het kind heeft in dat geval bij de geboorte maar een ouder (de geboortemoeder). De bekende donor kan met toestemming van de geboortemoeder erkennen (of vervangende toestemming aan de rechter vragen). Het feit dat de geboortemoeder op het moment van de erkenning door de bekende donor getrouwd is, leidt niet tot nietigheid van de erkenning. De nietigheid die in artikel 1:204 lid 1 onder a wordt bedoeld in geval een erkenning is gedaan door een persoon met wie de moeder niet mag trouwen, betreft niet het verbod op polygamie (trouwen met A als je al met B getrouwd bent), maar het verbod op een huwelijk tussen naaste verwanten (broers en zussen/ouders en kinderen etc,) dat is neergelegd in artikel 1:41 BW.